top of page

Kraakhelder - Hoofdstuk 2: Laat ze komen

Bijgewerkt op: 17 apr. 2023

Een utopische fictie door Corneel Baardmans



“Hier spreekt de politie. U wordt gevorderd het pand te verlaten, anders zal het pand worden ontruimd”


“Wordt hij niet schor?” vroeg Gwen zich hardop af, tussen twee happen van zijn kleffe croissantje. We zaten met zijn achten langs de ramen, turend door de luxaflex. Buiten stonden twee politieauto’s en een busje. Twee agenten zaten warm in hun auto te kijken hoe hun vier collega’s bespraken wat te doen. Met hun ziel onder hun arm tuurden ze naar de Rode Olifant.


“Ze zullen toch wel iets van bidons hebben ofzo?” vroeg Floris hardop af. Kist schudde hun hoofd.

“Niet om te drinken, daarmee gaan ze ons waterboarden” antwoordde hen.


“Hier spreekt de politie. U wordt gevo…” begon de luidspreker weer, bijna onmiddellijk verstomd door de boorecho die door het pand daverde. Elke minuut dat de politie de situatie aankeek voegden Chopin en Nemo meer lagen toe aan de al substantiële barricadering, zodat de deuren alleen van binnenuit geopend konden worden. Je opsluiten in een kraakpand in een onbekende staat van bedrading werd in alle handboeken afgeraden, maar met een simpele stormram zou de politie niet binnenkomen. Als ze de kans hadden het te proberen.


Ymer zat voorovergebogen op een stoel met zijn kin op tafel, zijn ogen op zijn telefoon gericht. Het was bijna twee uur nadat de kraak bekend was gemaakt. De ME had er al een half uur moeten zijn. Er was echter nog geen spoor van ze te bekennen.


“We wisten van tevoren dat ze niet op tijd zouden zijn, na Oud en Nieuw” probeerde ik hem gerust te stellen. Ymer schudde zijn hoofd.


“Je zou bijna willen dat ze wél op tijd waren. Wat als ze niet komen?” vroeg hij.


“In het ergste geval hebben we een makkelijk pandje gekraakt” zei Kist met een lach. “Ik maak me meer zorgen als alles volgens plan gaat”


“Hier spreekt de po…” galmde het nogmaals, nu overstemd door het gekrijs van een cirkelzaag. Medina schudde haar hoofd.


“Derde vordering” zei ze. “We plegen officieel huisvredebreuk.”


Ik speurde de gezichten van de anderen af, op zoek naar dat greintje angst voor de gevolgen van onze actie. Ik zag hun ogen terugkijken, even resoluut als de mijne. Ik vroeg me af of het moed was, of simpelweg het feit dat de consequenties nu onontkoombaar waren, en dat het nu geen zin meer had om terug te krabbelen. Of deden ze maar alsof, en keken ze net als ik moedig, terwijl mijn maag zich keer op keer omdraaide. Ik wachtte tot iemand zou breken, maar iedereen bleef kauwen op de kleffe croissants en drinken van bittere thee en oploskoffie. Als mensen al wilden opgeven, wilde niemand de eerste zijn.


“Geen schande als iemand nu nog weg wil,” zei Francis toen Chopin en Nemo klaar waren en koffie kwamen halen. “Als je wil, kunnen we je nu nog naar buiten smokkelen.”


Het was slechts een formaliteit. We hadden hier al zo vaak over gesproken, zo veel voorbereid, zo veel scenario’s doorgedacht, en het zo veel over de consequenties gehad, dat iedereen die keuze al had gemaakt. Toch deed ik mijn best om niet naar Birgit te kijken. De ruimte bleef stil.


“Dan is dit het” zei hij. “Corneel, een laatste toelichting? Voor wat we aan het doen zijn?”


“Ik denk dat iedereen wel weet…” begon ik, maar Francis schudde zijn hoofd. “Doe toch maar” zei hij. Het viel me toen pas op dat zijn rechterbeen ongeduldig op en neer ging, en dat hij zijn linkerknie zo hard vast had dat zijn vingertoppen wit werden. Ook de rest keek me nerveus aan. “In wat voor wereld worden we morgen wakker?” verduidelijkte Francis zijn verzoek.


“We werden gisteren wakker in kapitalistisch realisme en gaan slapen in…”


“Een Scheveningse cel!” riep Kist met een grijns, waardoor ook de rest moest lachen. Op Kist kon je bouwen om spanning uit een situatie te halen en alles te relativeren.


“… naast dat, gaan we slapen in een land waar we weer vrijuit kunnen denken,


“Cel of geen cel, we zitten toch al gevangen. We zitten in een gouden kooi. Je moet acht uur op een dag werken om geld te verdienen, maar je baas mag je kiezen. Van dat geld mag je de helft aan je zelfgekozen huisbaas geven, maar het bedrag is een gegeven. Of je wordt dakloos en betaalt voor de nachtopvang. De rest van je geld gaat op aan warmte, kleding en voedsel, die je mag kopen van wie je wil. En misschien hou je wat over voor jezelf. Je hebt een weelde aan keuze, en wat je ook kiest, aan het eind van de maand is al je geld opgegaan aan dingen die je niet kan kiezen.


“Dit is overduidelijk onrechtvaardig, en bevoordeelt een klein deel van de mensheid ten koste van de rest. Een dergelijk onrechtvaardig systeem neigt van nature naar een gelijkwaardiger systeem, tenzij het met extreem geweld wordt gehandhaafd. De politie levert, als neoliberale ridder, dat extreme geweld. Het is de politie die je uitzet als je je huur niet betaalt, en met zo’n zekerheid dat bijna niemand die uitzetting daadwerkelijk afwacht. En het is uiteindelijk de ME die de handhaving handhaaft. Verzet lijkt gevaarlijk en uiteindelijk zinloos.


“Maar het is niet alleen de politie die handhaaft. Dat kan de politie namelijk helemaal niet. Nederland heeft ongeveer 40.000 agenten. Dat zijn 40.000 agenten om jaarlijks 8.000 huisuitzettingen te effectueren, 178.000 aangiften van winkeldiefstal te onderzoeken, en 35.000 fietsers zonder licht te beboeten. Daarnaast zijn het gevangenisbewakers voor 18 miljoen mensen, waarvan een miljoen mensen in armoede leven. Kan elke agent 25 mensen aan? Of 50?


“Dat de politie een neoliberaal orgaan is werkt ook in ons voordeel. Een neoliberale organisatie kan geen reservecapaciteit hebben. Elke neoliberale organisatie moet constant op haar tandvlees lopen, want als zij dat niet doet kan er nog bezuinigd worden, of meer taken worden opgenomen. Dat betekent dat de politie niet berekend is op tegenstand, want ze heeft haar taak lang in relatieve rust kunnen uitvoeren. De ME bestaat om ongeorganiseerde groepen uit elkaar te slaan, en meer kan zij niet. Dat de ME een opstand kan voorkomen is een illusie.


“De waarheid is dat de macht van kapitaal rust op de macht van de politie, en de macht van de politie rust op de illusie dat ze de capaciteit heeft om iedereen te vervolgen.”


Ik zuchtte diep.


“Dus als we die illusie breken, breken we het kapitaal. Vandaag…”


“ZE KOMEN!”


Mijn hart ontplofte toen Ymer uit volle borst door de kamer schreeuwde. Met een sprong was hij bovenop zijn stoel gaan staan. Zelfs in het onnatuurlijke blauwe licht van zijn mobiel was zijn brede grijns makkelijk te herkennen.


“Zes busjes gaan nu richting de Javastraat.”


“Een half uur te laat,” antwoordde Francis. De groep lachte, gespannen en ongemakkelijk. Meteen, en godzijdank, werd de aandacht van mij getrokken. In plaats daarvan pakte iedereen hun mobiel en begonnen ze te zoeken naar hun contactpersonen. Iedereen in de groep had een aantal mensen met wie ze contact moesten houden tijdens de actie, of een team dat ze moesten coördineren.


“Laat ze maar komen,” zei Chopin met zelfverzekerde stem. Zodra er werk te doen was verdween de ongemakkelijke en gespannen sfeer. Iedereen die zich zorgen maakte of ze niet iets konden doen was plots op het toppen van hun kunnen, hard werkend voor de overwinning. Of in het geval van verlies, dat het in ieder geval niet aan hen zou liggen.


Het was een kort ritje van de Javastraat naar de Rode Olifant. Zeven minuten nadat Ymer het bericht van de spotters had ontvangen draaiden vier busjes de Zuid Hollandlaan op. Rond het Esso-tankstation reden ze het fietspad op, en voor de Rode Olifant stopten ze om de bepantserde ME’ers eruit te laten. De busjes vormden het anker voor de linie die de ME op het fietspad wilde vormen.


“Geen vredestenue? Vleiers,” zei Kist.


“28… 30… Ik tel er 32. We missen twee busjes” zei Nemo.


“De rest staat op de Mesdagstraat en de Jozef Israëlslaan,” antwoordde Birgit. De kraak van de Rode Olifant en de inzet van ME in het burgerlijke Benoordenhout begon al aandacht te wekken op verschillende sociale media. De eerste foto’s en filmpjes kwamen online op Twitter, Instagram en Tiktok; een deel afkomstig van passanten en nieuwsgierigen, en een deel afkomstig van vrienden van Birgit die zich als toeschouwers hadden vermomd. Een systeem van gecoördineerde hashtags en omschrijvingen zorgde dat Birgit en haar team ze altijd terug konden vinden.


Buiten probeerde de ME een linie te sluiten op het fietspad langs de Zuid-Hollandlaan, om zo het verkeer op de S101 niet te hinderen. Zelfs met vier ME-busjes en de twee politiebusjes moesten de ME-agenten twee meter uit elkaar staan om de gehele lengte van het gebouw te dekken. De sfeer bij de agenten in ‘vredestenue’, zoals ze het zelf noemden als ze geen harnas droegen, was volledig omgeslagen. Waar ze eerst met hun ziel onder de arm bij hun busje stonden, liepen ze nu met vooruitgestoken borst achter de ME-linie. Het zag eruit als een familiediner waarbij iedereen zou moeten helpen met de afwas, maar een handjevol mensen druk uitziend rondliepen om hun snor te drukken. Daarom stonden ze ook achter de linie, en niet erin.


Vanuit het reservehokje aan de rand van de kaart pakte ik een aantal blauwe en zwarte blokjes. Van de blauwe plaatste ik er vier voor de Rode Olifant, één in de Mesdagstraat en één in de Jozef Israëlslaan. De drie zwarte blokjes, met respectievelijk een rode, groene en paarse stip, zette ik op hun plekjes op de kaart. Toen alles stond, nam ik het allemaal in me op, en slaakte ik een diepe zucht, om alle spanning in één keer uit mijn lichaam te verbannen. Mijn hart voelde alsof het mijn ribben van binnen ging breken, alsof het een gat aan het graven was in mijn binnenste.


“Nu zijn wij aan zet,” zei ik. Ik knikte naar mijn kameraden. “Laat ze maar komen”


Als één drukten ze op ‘verzenden’.



1 januari 2024 – 06:34 uur


Storm deed het geluid van diens mobiel aan, om te horen of er een berichtje binnen zou komen. Toen zette die het geluid weer uit, om er niet te veel aan te denken. Daarna staarde hen naar het lampje dat zou oplichten als er een berichtje binnenkwam, dus draaide die diens mobieltje om. Maar dan zou hen het niet doorhebben als het verwachte SMS’je zou komen, dus zette die het geluid weer aan.


In de afgelopen drie kwartier had Storm deze routine al tien keer doorlopen. De dopamine die Storm normaal zou scoren door even op Instagram te scrollen was zoek; de wegwerp-Nokia met een pre-paid simkaartje kon nauwelijks Snake spelen, laat staan op Instagram. En al kon het, Storm moest zo veel mogelijk accu besparen. De dag was nog niet begonnen. Die was nog blij de nokia te hebben. De rest van hun team had helemaal geen telefoon bij zich. Storm vroeg zich af hoe die zich vermaakten. Storm keek zijdelings naar Cassandra, die de bespanning van haar trommel controleerde. Dit, voor het geval het in de vijf minuten sinds de laatste controle losser was gaan zitten.


“Koud hé?” zei Storm.


“Ja, blij dat ik handschoenen heb,” antwoordde Cassandra. Ze wreef demonstratief in haar handen.


“Hmmmhmmm, ja,” zei Storm. “En dat we binnen zitten”


“Hmmhmmm,” antwoordde Cassandra. Zonder een verder woord te wisselen concludeerden ze beiden dat daarmee alle potentie uit het gesprek over de kou was geknepen. Een laatste slachtoffer van de heersende spanning in de auto. Niets nieuws voor Storm en Cas, die in december elkaars familie voor het eerst hadden leren kennen, en de rit van Haarlem naar respectievelijk Hengelo en Heereveen had alle december-gespreksstof voor het nieuwe jaar uitgeput. Goede voornemens, dingen die je anders had gedaan dit jaar, favoriete kerstmuziek, mening over kersttruien, psychosociale evaluatie van alle familieleden en gespreksoefeningen om de transfobie van Oom Freek niet te triggeren… Alles had de revue al gepasseerd.


Om het onderste uit de inspiratie-kan te schrapen keek Storm om zich heen, maar de betonnen kelder van de halflege parkeergarage gaf weinig om mee te werken. Ook de spelletjes omtrent automerken hadden een half uur file op de Afsluitdijk niet overleefd, en dat het ze tegen de kou beschermde was een gepasseerd station. Het overduidelijke gespreksonderwerp hadden ze sinds het afgaan van de wekker om half vier vermeden. Storm checkte nog één keer de inbox van de nokia, alsof een bericht de telefoon ongemerkt binnen had kunnen sluipen, maar toen die leeg bleek, legde die zich erbij neer.


“Hoe voel je je?” vroeg die. Cas haalde haar schouders op. “Wel oké, en jij?”


“Prima,” zei Storm. Eigenlijk had die willen toegeven dat die bijna moest kotsen. De combinatie van autogeur, benzinelucht in de garage en de gedachte dat er misschien… waarschijnlijk… gevochten ging worden zette al diens spieren op scherp, en die voelde zich alsof die terug naar Haarlem zou kunnen rennen. Weg van Den Haag, weg van de ME, weg van de nokia die elk moment de onherroepelijke oproep zou kunnen ontvangen. Maar Storm kon dat niet zeggen, bang als die was dat Cassandra het met Storm eens zou zijn. Dat niets ze ervan zou weerhouden de parkeergarage uit te rijden. Of juist dat Cassandra, de ervaren activist, eindelijk zou zien dat Storm een zwakke schakel was, zonder het doorzettingsvermogen en de overtuiging om de strijd door te zetten. Dat die haar tijd niet waard was. Dat Storm en Cassandra rond dezelfde tijd met activisme waren begonnen deed er daarbij niet toe.


Storm schudde diens hoofd. Die en Cas hadden dit gesprek al een paar keer gehad. Ze keken naar elkaar op, en de zekerheid die ze naar vrienden projecteerden, onderdeel van een propagandistische levensstijl waarmee ze hun idealen kracht probeerden bij te zetten, maakte dat ze zekerder overkwamen dan ze eigenlijk waren. Ten minste, dat was wat Cas had verteld. Daar moest Storm dan maar vanuit gaan.


“Eigenlijk gaat het niet zo goed” zei Cassandra toen. “Maar daar kunnen we nu niets meer aan doen.”


Storm slaakte een opgeluchte zucht en sloeg een arm om haar schouder, blij dat die een zorgzame, sterke rol op zich kon nemen. Dat Storm zich nuttig voelde, was als een zon waarvoor het gevoel van onzekerheid smolt.


“Dat is logisch,” zei Storm zelfverzekerd. “Ik denk dat iedereen dat wel voelt”


Ik zeker, dacht Storm, maar dat kon die niet toegeven. Dat zou de aandacht van Cas afhalen en naar dienszelf trekken. Cas knikte.


“En ik denk dat…” probeerde Storm verder te gaan, maar Cas kapte die af met een klap tegen diens schouder.


“Au! Wat…” zei Storm, maar toen zag die het ook. Het blauwe lampje op de nokia ging langzaam aan en uit, zacht pulserend in de halfduistere auto. Storms’ hart sloeg vijf slagen over en die greep naar het mobieltje, het koude omhulsel creëerde een schok van kippenvel dat zich via diens arm, schouder, rug, over diens hele lichaam verspreidde. Het scherm lichtte op met een druk op de knop. Het korte SMS-bericht paste helemaal in de samenvatting op het beginscherm: GO.


Voordat Storm dit had kunnen voorlezen had Cas de deur al opengegooid en stond ze buiten. Storm probeerde ook op te staan, maar was vergeten dat die diens gordel nog omhad en die werd ruw terug diens stoel in getrokken. Na een seconde, die als een kwartier voelde, kreeg Storm de gordel los en stond die ook buiten. Van de achterbank haalde die een vlaggenstok met de rood-zwarte vlag, die die over diens schouder legde. Autodeur dicht, auto op slot, en samen liepen Storm en Cas richting de uitgang van de parkeergarage. Cassandra haalde haar haar nog even uit haar gezicht, trok haar sjaal over haar neus en mond, en begon ritmisch op de trommel te slaan.


Pom. Pom. Pom pom pom. Pom. Pom. Pom pom pom.


Eén voor één gingen andere autodeuren open, waar in identiek zwart geklede mensen uit kwamen. Er werd geen woord gewisseld, niet toen ze bij de trap aankwamen, niet toen ze de trap naar boven volgden, en niet toen ze het hokje op het Muzenplein verlieten. Eén kameraad hield woordloos de deur open zodat de groep, nu al twintig groot, de vlag kon blijven volgen. De hoge flats rond het Muzenplein voelden beschermend, zeker nu uit de verschillende portieken steeds meer kameraden opdoken. Van het Clioplein kwam nog een groep van twintig, en op het kruispunt met de Calliopestraat nog eens tien. Storm stopte al snel met tellen, maar terwijl ze over de Prinsessegracht liepen groeide de groep tot een geschatte honderd mensen. De stille tocht hield aan tot de kruising met de Koningskade, toen Storm en Cassandra door rood licht liepen. Een auto die ondanks een groen licht moest remmen toeterde, en de groep antwoordde met gejoel en geschreeuw. Het was alsof een onzichtbare dam doorbrak. Iemand achter Storm riep “Wet of geen wet”, wat door de hele groep werd beantwoord met “Kraken gaat door!”. Het was een volume en een energie die Storm nog niet eerder voor de leus had gehoord.

De groep passeerde het Malieveld, juist terwijl helemaal aan de andere kant, langs de Boslaan, ook eenzelfde groep langs kwam. Storm kon het niet zien, maar wist dat die een groen-zwarte vlag volgden. Cassandra had al vaker gezegd hoe veel mensen er bij de actie betrokken waren, maar pas toen Storm het zag, besefte die wat voor indrukwekkend gezicht zo veel mensen bij elkaar waren.


En hoe veel het was vergeleken met vijftig ME’ers.


Na het Malieveld staken ze, wederom door rood, de Zuid Hollandlaan over. Over de koningskade kwam nog een groep hen tegemoet, deze met een paars-zwarte vlag. De twee groepen gaven elkaar een warm onthaal en draaide de Zuid Hollandlaan op. De paars-zwarte groep nam echter al de hele stoep en het fietspad in beslag, dus Storm en Cassandra moesten de rijbaan op. Ondanks hoe vroeg het was waren er een paar auto’s op de weg. Een seconde vroeg Storm zich af wat er zou gebeuren als die eerste auto niet zou remmen en zette die zich schrap, maar het witte bestelbusje stopte net op tijd. Eén keer toeterde de bestuurder, maar dit werd beantwoord door zo veel geschreeuw en getrommel op de zijkant dat hij zich snel bij de nieuwe situatie had neergelegd. Ondanks het tempo van de groep vormde de file zich sneller, en de opstopping bereikte de Rode Olifant voordat de demonstranten er waren. De ME had zich al omgedraaid om de linie richting de reeds aangekomen groen-zwarte groep te richten. Storm en Cassandra probeerden zo veel mogelijk naar voren te drukken; eerst alleen op het terrein van het Esso-tankstation, maar toen verder de Mesdagstraat op, totdat de ME met de rug tegen het tuinhekje van de Rode Olifant stond.


Put down your riot gear! I don’t see no riot here!” scandeerden de drie groepen als één. En toen die een stuk of twintig keer was langsgekomen:


“Politie! Fascisten! Staatsterroristen!”


Een moment schoot de gedachte, de angst en de hoop door Storms’ hoofd dat de ME af zou druipen. Dat ze misschien al gewonnen hadden. Toen de staatsterroristen-leus klonk wist Storm echter dat hun tegenstander dit niet over zich heen zou laten komen. Hier was niet de korpschef of de minister de baas; hier stond een pelotonscommandant die zich niet door een paar snotneuzen de les zou laten lezen. Vanuit de Mesdagstraat kwam één sectie van de ME langzaam naar voren. Zoals afgesproken lieten de demonstranten zich langzaam de Mesdagstraat uit duwen.


“Hier spreekt de politie. Deze demonstratie is ontbonden. Keer terug naar huis. Hier spreekt de politie…”


De megafoon was nauwelijks hoorbaar, zeker omdat de aanwezige demonstranten het als een spel zagen om boven het geluid van sirenes en omroepers uit te komen. Tegelijkertijd keek Storm aandachtig naar de sectiecommandanten tegenover zich. Het duurde vijf minuten voordat de ME besloot de groepen uit elkaar te duwen.


“Sectie! Voorwaarts! Nu!” brulden de sectiecommandanten. De ME-linie begon naar voren te lopen. Storm rende met de vlag naar de achterkant van de groep. Cassandra volgde, en speelde een nieuw ritme op haar trommel.


Pompom pompom pompom pompom…


Meteen, en iets te snel, deinsde de groep terug van de optrekkende ME. Hadden de sectiecommandanten op de geluidssignalen en de vlag gelet, dan hadden ze misschien teruggehouden. De commandanten leken niets door te hebben. Ze wisten ook niet waar ze op moesten letten, wisten niet wat er op de planning stond. De sectiecommandanten waren overtuigd dat de demonstranten bang waren, dat ze hun werk goed deden, en in plaats van scepsis naar het snelle terugtrekken van de demonstranten voelden ze zich alleen maar gesterkt. Zo duwde de ME de rode en paarse groep terug de Zuid Hollandlaan op, terug het verkeer in, weg van de Rode Olifant. Aan de andere kant gebeurde hetzelfde, waar Storm de groen-zwarte vlag achter een linie ME richting de Boslaan geduwd zag worden.


Pompom pompom pompom pompom…


“Niet te snel! Niet te snel!” riep Storm uit. Het was lastig voor de groep om een tussenweg te vinden tussen wegrennen en confrontatie. Als de druk van de ME zou verdwijnen zouden ze stoppen met duwen, maar directe confrontatie zou te veel uitnodigen tot escalatie. Escalatie, wist Storm, moesten ze zo veel mogelijk vermijden zonder het uit de weg te gaan.


“Simpel, toch?” Had Corneel met een glimlach gezegd.


In diens broekzak voelde Storm de nokia trillen. Met één hand viste die de telefoon uit diens broekzak en zette die het scherm aan.


“IV.S R/P, II.S G, O vrij”


“Wat zegt ze?” vroeg Cassandra, onverbiddelijk doorslaand op haar trom. Storm probeerde iets te zien door de tientallen demonstranten en de linie ME, maar moest op het bericht afgaan.


“We nemen vier secties mee, twee secties gaan naar het bos”


“Wij moeten al het werk doen zeker?” zei Cassandra. Storm keek op en verwachtte irritatie, maar diens partner droeg een brede grijns en knipoogde. Ze gaf die een kus op de wang, sprong op en begon nog harder op de trom te slaan, en ging op in de leuzen die de groep bleef schreeuwen.


“HOE LAAT IS HET! TWAALF OVER ÉÉN!” brulde ze, met een energie die Storm op diens beurt weer vulde met enthousiasme, zelfs terwijl ze steeds verder terug werden geduwd over de Zuid Hollandlaan.


“HOE LAAT IS HET! TWAALF OVER ÉÉN!”


Wordt vervolgd in hoofdstuk 3.


39 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Commenti


bottom of page